Gevaarlijke stoffen in voorstel werkprogramma Rli

Print     PDF
8 januari 2019
Rubriek

De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) is het strategische adviescollege voor regering en parlement op het domein van de fysieke leefomgeving. De raad heeft zijn voorstel voor het werkprogramma 2019-2020 aan minister Van Nieuwenhoven (I&W) aangeboden. Hierin zijn de volgende thema's opgenomen:
1. Herziening Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)
2. Gevaarlijke stoffen
3. Luchtvaartbeleid
4. Afbouw verouderde bedrijfsmiddelen
5. Vitale bodem
6. Conferentie inclusieve transities

Nieuwe risico's

Ten aanzien van gevaarlijke stoffen merkt de raad het volgende op:
"De inzichten in de gevolgen voor de leefomgeving die de productie en het gebruik van stoffen hebben, veranderen continu. Het is van alle tijden dat veel gebruikte stoffen na verloop van tijd schadelijk blijken te zijn, waarna het beleid en de regelgeving daarop worden aangepast. Zware metalen, asbest, PAK’s en ozon zijn hier voorbeelden van. Op dit moment leiden de aanwezigheid in de leefomgeving van microplastics, medicijnresten, nieuwe chemische verbindingen en stoffen op nano-niveau in toenemende mate tot zorgen. Ook al eerder bekende gevaarlijke stoffen kunnen, als zij op nieuwe manieren worden toegepast, leiden tot de circulatie en ophoping van gevaarlijke (toxische) stoffen in onze ecosystemen. In de derde plaats kunnen de transitie naar een circulaire economie en de energietransitie leiden tot veranderingen in gebruik, productie, opslag en het transport van gevaarlijke stoffen. Hieruit vloeien mogelijk nieuwe risico’s op milieuschade en gezondheidsschade voort. Bovendien is er steeds vaker een spanning voelbaar tussen (maatschappelijke) risicobeleving en (wetenschappelijke) risicobepaling. Ook wanneer de risico’s laag worden ingeschat kan er sprake zijn van grote maatschappelijke verontrusting over gevaarlijke stoffen."

Voldoende instrumenten?

"In het huidige systeem vindt toelating van chemische stoffen plaats op grond van de Europese REACH Verordening. De verantwoordelijkheid voor toezicht en handhaving ligt voor een belangrijk deel bij de bedrijven. Het is de vraag of het huidige systeem van toetsing, toelating, toezicht en handhaving adequaat is om de risico’s te beheersen van zowel nieuwe type stoffen in onze leefomgeving, als de nieuwe omgang met stoffen. Bovendien is het de vraag hoe overheden, in relatie tot het systeem van toetsing, toelating, toezicht en handhaving, omgaan met (moeilijk voorspelbare) maatschappelijke onrust rondom deze stoffen. Een recent voorbeeld als de GenX-belasting van drinkwaterbronnen laat zien dat er een duidelijk verschil is tussen maatschappelijke beleving en wetenschappelijke inzichten. Hoe kunnen hiaten in het systeem worden tegengegaan? Beschikken Rijk, provincies en gemeenten, binnen de kaders van Europese regelgeving, over voldoende instrumenten en middelen om effectief en slagvaardig om te gaan met de risico’s van nieuwe gevaarlijke stoffen en met de daaraan gerelateerde maatschappelijke onrust?"

Bron
Tags